|
22 ogustus 2010, 07:09
|
| Lid van de Snorrenclub dan?;) |
|
22 ogustus 2010, 07:08
|
| Oeh, is da ni' de Wannes diejen a' zingt in Water & Wijn? wie dan wel? 'k Vongd et oek alted al aardig dat em daar "slip" zoeng. |
|
21 ogustus 2010, 16:33
|
| Pardong, ee mannekes, diên anoniem ierbove da ben ekik, Moestash... 'k was ni ingelogd. |
|
21 ogustus 2010, 16:29
|
| Grytolle, awen avatar ee gedoeme zoên moestash asdakik in 't echt em... Eigentlak moette tegen awe kleine zeggen: 'god oe laten insmeren' (in 't Ollands: gaat u laten insmeren). Ik dengk da 'goh oe late' giê goed Aentwaerps is :-). Klingt messchien eigenaardig, mor dengt is on 'al gonde, gondeweg' wor asda die 'd' oek inzit. Of 'godde gollen oek?', gaat gijlie ook. Ik erinner ma van vruger (man bomma, °1875) oek de vörm 'god ollet', gaat-haalt-het, naast 'gon ollet'. Veul rijker as Ollands, Aentwaerps... |
|
21 ogustus 2010, 11:44
|
| G'ed gelijk begod! In dees versie wörd der "slip" gezoenge maar daar is 't ni de Wannes zelf diê zingd; in zijn versie uit 1966 zingt 'em inderdaad "sliep". Aangepast, mercikes! |
|
21 ogustus 2010, 09:16
|
| Vringde, in de woordenboek stot er 'schêreslip', mor nor mij gedacht ist ni 'schêreslip' meh en körte 'i', mor 'schêresliep' meh en lange. Zoê e emmek ed altad goêrd as snotneus en zoê zingt de Wannes ed oek oep zanne CD, lösterd mor is goe. |
|
20 ogustus 2010, 11:16
|
| als ge nu ook de betekenissen gaf, en liefst ook voorbeeldzinnen, dan konden we 't erin zetten |
|
18 ogustus 2010, 22:59
|
| pateeke, pateekesmadam, pateekesring : nog niet in het woordenboek |
|
18 ogustus 2010, 11:02
|
| het röcht da oe moeder wilt zeggen betekent wel krapuul |
|
9 ogustus 2010, 18:09
|
| Smoel baareg oep |
|
4 ogustus 2010, 08:51
|
| vraegske : is de uitdrukking "gij denkt dakkik liesbet iet zeker" een aentwaarse uitdukking ? (jij denkt dat ik dom ben, dat ik onnozel ben) en van waar komt die ? |
|
2 ogustus 2010, 15:42
|
| da lekt mij een aender woord... u en ö klinken iêl verschillend in 't Aentwaerps |
|
1 ogustus 2010, 20:13
|
| RUCHT Woordsoort: znw.(v.) Modern lemma: rucht znw. vr. Een sedert lang verouderd woord, mnl. ruchte: het roepen, geschreeuw, gerucht, faam, dat nog door KIL. vermeld wordt (”Rucht, ghe-rucht. Fama, tumultus”). Reeds in het mnl. was gheruchte, gerucht gebruikelijker. Behalve in dit woord, leeft rucht nog voort in ruchtbaar en in berucht (eig. verl. deelw. van de afl. beruchten); ook komt het voor in enkele thans verouderde afleidingen (zie hieronder). Mnl. ruchte, mnd. ruchte, rochte is een afleiding van het woord dat in het ohd. hruoft: geroep, geschreeuw, luidt en dit behoort bij roepen. |
|
1 ogustus 2010, 11:19
|
| HAPSCHAAR Woordsoort: znw.(m.,v.) Modern lemma: hapschaar — HAPSCHAARD; HAPSAARD, APS(J)AAR(D); daarnaast (het oudere?) HAPSCHEER(E) (enkele malen vindt men ook HAPSCHEERDER) —, znw. m. (en vr., immers soms in toepassing op eene vrouw gebezigd; zie onder 5); mv. -aren, -aar(d)s. Ongetwijfeld hetzelfde woord als gelijkbet. fra. happechair en wel waarschijnlijk eene vervorming daarvan, al blijft ook het omgekeerde mogelijk (FRANCK wijst er b.v. op dat het tweede lid schaar, scheer (uit schēre) heel goed aan hd. scherge, gerechtsdienaar, zou kunnen beantwoorden). +ᴁ1. Naar het oorspronkelijk, nog hier en daar in Vlaanderen gangbaar gebruik, eene meer of minder schertsende benaming voor den een of anderen lageren dienaar van het gerecht (zie de voorbeelden), te vergelijken met een term als b.v. dievenvanger. Hapschaer (Veld-beul), a Catch-pole, Bum-baily, or a Hang-man belonging to an army, SEWEL. Hapschaaren: … Dienaars van den Generaal Provoost, DIBBETZ, Milit. Wdb. 286 a [1740]. Hapscheerder … Diender, Rakker, MARIN. In de Hapscheerders handen vervallen. Tomber entre les mains des … Recors, pousse-cu, chassecoquins, Ald. De dief is de hapsaards ontloopen, DE BO 358 b [1892]. — Tot dienst ende hulpe van (den hoogbaljuw en den schout van Brugge) … zijn gestelt thien bystandige Apzaerden, dewelcke enz., DE DAMHOUDER, Grootdad. 519. Daemones laet sijne hapscheerders een hoereweert … grijpen ende op het vier leggen, ERASMIUS 2, 107. De Meyt van Jems de Hapscheer, BURGHOORN, Kl. Snorre-Pyp. 1, 7. Myn Grootvaâr was een hapscheer in 't leger, De Vakantie, 36. Papieren …, die … mij zeer nuttig zijn, wanneer deze of gene hapscheer mij komt praaien en verzoeken mijne kleuren te wijzen, V. LENNEP, Rom. 3, 321 [1840]. Moorden. Zijn draad is afgesneên. Ik heb 't volvoerd. Macb. Gij zijt de beste hapschaar, V. D. BERGH, Bloeml. uit Shakesp. 83. Sint Ambrosius … was rustwaarder bij 't volk … en is deswegen Patroon der hapsaarden (die men heet gens d'armes), Duikalm. 1895 (op 7 Dec.). gy zult hangen, schurk: messieurs die dezerteeren, En paerden steelen, moet de hapschaer klimmen leeren. LANGENDIJK 2, 213. ᴁ— Als een scheldwoord gebezigd. J. De Baron heeft al over jaar en dag, de weergâ van uw Degen gedraagen. … G. Maar waarom heeft hy me dan verrast? Die Hapscheer moest my waarschouwen, V. D. HOEVEN, Waarzegster, 83. ᴁ— In Zuid-Nederland gebezigd in toepassing op een durfal van een jongen. Verg. ”'t is ne gendarme van ne' jongen” (Loquela 4, 2 [1884]). Onversaafderik, stouterik, deurendal, stoute jongen, ruischebuische, t. a. pl. (Loo). 2. Soms naar 't schijnt (zie althans beneden de Samenst. hapscheersknecht) gebezigd voor: veldbarbier, en zulks voorzeker door bijgedachte aan veldschere, veldscheer. 3. Inhalig persoon; vrek. Bij V. DALE als ”gewestelijk” vermeld en in dien zin b.v. uit Maaseik bekend. 4. In de Zaanstreek. Rare vent; vreemde snuiter. Zie nader BOEKENOOGEN 293. 5. In den omtrek van Deventer, te Bathmen b. v., als hapscheere, in toepassing op eene vrouw die ”een grooten mond opzet en wartaal uitslaat” (verg. ook BOEKENOOGEN 293). 6. Te Oostende (als absjaar, zie DE BO 358 b [1892]) de naam voor zekeren visch, t.w. voor Callionymus lyra. Zie over die benaming nader DE BO 358 b [1892]. Afl. Hapscheeren, in de uitdr. Op een hapscheeren gaan, op een vechten gaan, tot kloppen komen (”Als het op een hapscheren gaet, is hy maer een bloode loer”, ERASMIUS 1, 9; ”Wonder …, als het op een hapscheeren ginck, hoe couragieuslijck hy enz.” 1, 163) verhapscheeren, zooveel als: verhandelen, ”verhakstukken” (”Wat heb-jij hier te verhapscheeren?” BOEKENOOGEN 1121—1122). Samenst. (in de bet. 2) Hapscheersknecht (”Hij (een barbier) wist, hoe het allarm in 't oorlogsveld begon, Toen hij als hapscheersknecht de plijsters had gestreken”, BARTELINK, B. Kermis 25 [1774]). © 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1899. |
|
25 juli 2010, 21:48
|
Doederik (25 juli 2010, 19:56)
k zou denken da het komt van ruig (ruw) + -te? gelijk mugte van muug + te...
klopt, gelijk blijkt van 't geslacht in antw idioticon (zie comment bij het vl-woordeboekartikel) |
|
25 juli 2010, 19:56
|
| En wa zou het precies moete betekenen? of hedde daar geen idee van... De vorm röcht zou moeten zijn afgeleid van ruicht of reucht (of ruigd/reugd) maar wat dat die zouden moeten betekenen zou k ook ni weten. UPDATE: aha, t vlaams woordenboek heeft het: http://www.vlaamswoordenboek.be/definities/term/ruigt k zou denken da het komt van ruig (ruw) + -te? gelijk mugte van muug + te... |
|
25 juli 2010, 19:20
|
| Ons moeder sprak altijd over het 'röcht" (zo geschreven als ik de spelregels van de Antwerpse fonetica heb gesnapt) uit het 'faboert' Waar Faboert vandaan komt heb ik uitgevogeld, maar weet er iemand waar ze de term 'Röcht' vandaan had? (Röcht kwam volgens ons moeder voornamelijk van't Faboert of van Den Dam... Ikzelf heb daar geen mening over :-) Groetjes Ivo |
|
24 juli 2010, 10:52
|
| Euh... over Antwerpen, weet ik niet zo. Maar over de Antwerpenaren... dat ze ne dikke nek hebben. (Ik ben er zelf ene, maar mijne nek geraakt toch nog juist door de deur.) En over de kathedraal in Antwerpen, dat het de grootste pissijn van Belgie is. |
|
16 juli 2010, 17:50
|
| Door nen Antwerpenaar als hem z'n eige in niet-antwaarps sprekend gebied bevindt : "Ik zen gene belg , ik zen oek gene vlaming ik zen nen Antwaarpener! Waarop de vlaams brabantse en pro belgique personen me hunne mond vol tande stonde ;) |
|
10 juli 2010, 10:20
|
| mss: gon ol et < ga en haal het dus den ouwe concurrent van "ga... inf": "ga en verbogen-vorm" |