212 woorde beginne meh een K...
Pagina's:
1 |
2 | 3 |
4 |
5
[kliêrkas]
zn. (v)
een/de ~, kliêrkasse(n), kliêrkashe
kleerkast
[kloêtëzjéraer]
zn. (m)
1 ruziezoeker
2 ook als tussenwerpsel, zie hiervoor 'Geraer' hierboven
[kluppël]
zn. (m)
ne/de ~, kluppels, kluppelke
1 knuppel
2 oen - ook in samenstellingen als bijv. 'bóerekluppel', 'kluppelkoek'
schattig, lief
Verbuiging van knoddig | mannelijk | vrouwelijk | onzijdig |
|---|
| enkelvoud | knoddige[n] | knoddig(e) | knoddig |
|---|
| meervoud | knoddig(e) |
|---|
hard werken
OTT-vervoeging van knoefte| ik knoeft | wij knoefte(n) |
gij knoeft ↔ knoeft(e) gij | golle knoeft ↔ knoeft(e) golle |
| ij knoeft | zun knoefte(n) |
OVT-vervoeging van knoefte (zwak)| ik knoeftte(n) | wij knoeftte(n) |
gij knoeftte(n) ↔ knoeftte(n) gij | golle knoeftte(n) ↔ knoeftte(n) golle |
| ij knoeftte(n) | zun knoeftte(n) |
knoop - die in iets gelegd wordt; vgl. met
knop
knopen
OTT-vervoeging van knoêpe| ik knoêp | wij knoêpe(n) |
gij knoept ↔ knoept(e) gij | golle knoept ↔ knoept(e) golle |
| ij knoept | zun knoêpe(n) |
OVT-vervoeging van knoêpe (zwak)| ik knoepte(n) | wij knoepte(n) |
gij knoepte(n) ↔ knoepte(n) gij | golle knoepte(n) ↔ knoepte(n) golle |
| ij knoepte(n) | zun knoepte(n) |
1 knop
2 knoop - om iets mee te sluiten; vgl. met
knoêp
1 taai wit stuk in vlees
2 vrouw met slecht karakter
knorren, slapen
OTT-vervoeging van knörre| ik knör | wij knörre(n) |
gij knörd ↔ knörd(e) gij | golle knörd ↔ knörd(e) golle |
| ij knörd | zun knörre(n) |
OVT-vervoeging van knörre (zwak)| ik knörde(n) | wij knörde(n) |
gij knörde(n) ↔ knörde(n) gij | golle knörde(n) ↔ knörde(n) golle |
| ij knörde(n) | zun knörde(n) |
wanneer twee hoofden elkaar per ongeluk aanstoten
[koêj]
zn. (v)
een/de ~, koêie(n), koêike(?)
kooi
pesten, treiteren, lastigvallen - Fr.
couillonner; niet helemaal dezelfde betekenis als het Nederlandse koeioneren
OTT-vervoeging van koeienere| ik koeieneer | wij koeienere(n) |
gij koeieneerd ↔ koeieneerd(e) gij | golle koeieneerd ↔ koeieneerd(e) golle |
| ij koeieneerd | zun koeienere(n) |
OVT-vervoeging van koeienere (zwak)| ik koeieneerde(n) | wij koeieneerde(n) |
gij koeieneerde(n) ↔ koeieneerde(n) gij | golle koeieneerde(n) ↔ koeieneerde(n) golle |
| ij koeieneerde(n) | zun koeieneerde(n) |
pestkop, treiteraar - Fr. couilloner
pesten, treiteren, lastigvallen - Fr.
couillonner; niet helemaal dezelfde betekenis als het Nederlandse koeioneren
OTT-vervoeging van koeionere| ik koeioneer | wij koeionere(n) |
gij koeioneerd ↔ koeioneerd(e) gij | golle koeioneerd ↔ koeioneerd(e) golle |
| ij koeioneerd | zun koeionere(n) |
OVT-vervoeging van koeionere (zwak)| ik koeioneerde(n) | wij koeioneerde(n) |
gij koeioneerde(n) ↔ koeioneerde(n) gij | golle koeioneerde(n) ↔ koeioneerde(n) golle |
| ij koeioneerde(n) | zun koeioneerde(n) |
[koekë]
zn. (v)
een/de koeke(n), koekes
ruiten - in het kaartspel; ook in samenstellingen
koekenaas mut uitkome


de Koekenstad - bijnaam voor Antwerpen, wellicht gebaseerd op de vroegere aanwezigheid van koekjesfabrieken in de stad
ette gij gere koêl?


kopen
OTT-vervoeging van koêpe| ik koêp | wij koêpe(n) |
↔ koept(e) gij | golle koept ↔ koept(e) golle |
| ij koept | zun koêpe(n) |
OVT-vervoeging van koêpe| ik kocht | wij kochte(n) |
gij kocht ↔ kocht(e) gij | golle kocht ↔ kocht(e) golle |
| ij kocht | zun kochte(n) |
koopt
OTT-vervoeging van koêpe| ik koêp | wij koêpe(n) |
↔ koept(e) gij | golle koept ↔ koept(e) golle |
| ij koept | zun koêpe(n) |
1 binnenplaats - Fr. cour
2 speelplaats - van een school
3 toilet
koffiekransje - bijeenkomst waarbij gebabbeld en koffie gedronken wordt
[koffëzét]
zn. (m)
ne/de ~
koffiezetapparaat
Pagina's:
1 |
2 | 3 |
4 |
5Vragen? Kijk eerst in de
uitleg bij het woordenboekSuggesties of opmerkingen? Laat ze ons weten
op het forum.